Carlo Devlieger.jpg

Carlo Devlieger

BESTUURSLID

(°Gent, 1967) - Sinds 1988 gelukkig gehuwd met dezelfde fantastische vrouw die golf als mijn minnares moet tolereren (tja, ook vrijheid heeft grenzen). Trotse vader van één geweldige dochter en grootvader van een"special one". Professioneel transformeer ik het (onontgonnen) digitaal potentieel van binnen- en buitenlandse middelgrote bedrijven en multinationals in competitieve voordelen.

 

Waarom ik mijn schouders onder VRIJHEID zet?

Mijn antwoord is simpel: Voor mij voelt VRIJHEID als eindelijk thuis komen. 

Maar het antwoord is tegelijk ook complex: Mijn pad naar VRIJHEID liep over de kasseiweg van het leven waarbij noodzakelijke reflectie, observatie en filosofie hersenspinsels leverden aan deze kat met vele levens. Ik verklaar mij nader.

Voor mij is liberalisme een normatieve leidraad die betrekking heeft op de verhouding tussen de overheid en haar burgers, waarbij het uitgangspunt "de vrijheid van de burgers" is en overheidshandelen dat hierop inbreuk maakt rechtvaardiging behoeft. De fundering van deze vrijheden kan gevonden worden in een zeker scepticisme over het goede. De staat, of een ander persoon, kan niet voor iemand bepalen hoe deze moet leven, met name omdat het niet mogelijk is om het leven van een ander van binnenuit te leiden. Deze gedachte komt niet voort uit relativisme over het goede, maar juist uit de gedachte dat het belangrijk is voor mensen om hun eigen visie op het goede te ontwikkelen en na te leven. Een verhelderend voorbeeld hierbij is dat van religie. Vanwege het gewicht dat wordt toegekend aan individuele vrijheid is het binnen het liberalisme voor aanhangers van een religie niet alleen toegestaan om hun religie te praktiseren, maar ook om af te wijken van de orthodoxie, of in het geheel van religie te veranderen. Daarnaast dient het liberalisme de vrijheid van meningsuiting en toegang tot het verkrijgen van informatie te garanderen. Binnen het voorbeeld van religie kan hierbij gedacht worden aan het verplicht stellen van levensbeschouwelijk onderwijs op scholen of het verlenen van vrijheid van evangelisatie aan religieuze groeperingen. De context van het liberalisme is derhalve een zeker pluralisme. Dit pluralisme is zowel een voorwaarde als de uitkomst van het liberalisme. Gezien het belang dat gehecht wordt aan de vrijheid om de visie op het leven te herzien, dient dit pluralisme ook ondersteund te worden. Anderzijds vormt het liberalisme met haar nadruk op de vrijheid van geweten en meningsuiting de noodzakelijke voorwaarde voor dit pluralisme.

 

Een veel geleverde kritiek op het liberalisme is dat het uitgaat van een lege, abstracte, individualistische opvatting van het zelf, waarbij voorbijgegaan wordt aan het feit dat menselijke keuzen pas gestalte kunnen krijgen in een sociale context, en dat binnen die gesitueerdheid een stelsel van waarden tot stand komt, waardoor de keuzen die mensen maken betekenis krijgen. Charles Taylor is de voornaamste criticus van het liberalisme op dit punt. Het liberalisme is volgens Taylor gebaseerd op een ‘atomistische’ notie van het zelf. ‘The liberal individual is concerned with his individual choices to the neglect of the matrix in which such choices can be open or closed, rich or meagre.’ Hoewel het liberalisme als politieke filosofie gericht is op de vrijheid van het individu ontkent het niet dat het zelf tot stand komt in een bepaalde context. Zoals ik hiervoor heb laten zien wordt een waardenpluralisme zelfs verondersteld. Het verschil tussen het liberalisme en haar critici op dit punt is echter dat het liberalisme veronderstelt dat het individu in staat is om haar eigen levensproject en de doelen die ze nastreeft, te bevragen en te herzien. Hoewel we inderdaad gevormd worden door onze doelen en het zelf tot stand komt in een context, zijn we in staat deze doelen te herzien. Dit vraagt, mijn inziens, niet van ons al onze doelen tegelijk te herzien, maar wel dat al onze doelen te herzien zijn. Dit is van belang, omdat een visie van groepsrechten waarbij de gemeenschap waarbinnen het zelf tot stand komt, geheel vooraf gaat aan het zelf, zou ophouden liberaal te zijn.

 

Post-covid moeten we durven de stok in het hoenderhok gooien en het debat of groepen rechten en ongebreidelde vrijheden kunnen hebben publiek voeren. Een dilemma dat door veel (hedendaagse) filosofen met het nodige scepticisme wordt benaderd. Een scepticisme met twee oorzaken: enerzijds is er de vraag of groepen onbegrensde vrijheden kunnen hebben, en hoe deze gefundeerd dienen te worden. Anderzijds is er de zorg in hoeverre het verlenen van rechten aan groepen ten koste gaat van de rechten van individuen, binnen of buiten de groep.

 

Waar een individueel recht gehouden wordt door een individu, die dat recht als individu kan inroepen of er afstand van kan doen, is een groepsrecht een recht dat een groep als groep bezit. Wanneer we denken over rechten is het de vraag wie de houder is van het recht en tegenover wie de bijbehorende verplichting verschuldigd is. Ik heb een verplichting de boom uit de tuin van mijn buurman die mijn uitzicht bederft niet om te hakken. Die vrijheid heb ik niet omdat ik daarmee een inbreuk maak op het eigendomsrecht van mijn buurman, niet omdat de boom zelf rechten heeft. Dit geldt ook voor groepsrechten. Hoewel neurobiologen het recht hebben op leven, en van de optelsom van neurobiologen gezegd kan worden dat zij dit recht hebben, kan niet gezegd worden dat de groep neurobiologen dit recht als groep heeft. De groep is hier niet meer dan een verzameling willekeurig genoemde individuen, en dus de rechten en vrijheden die de groep bezit gaan niet verder dan het recht  en vrijheden die de individuen bezaten.

 

Het liberalisme wordt vaak gezien als een theorie waarbij de cultuur waar een persoon toe behoort irrelevant is, vanuit de gedachte dat de staat neutraal is in haar visie op het goede leven. In zijn invloedrijke artikel ‘Minority Cultures and the Cosmopolitan Alternative’ schrijft Jeremy Waldron: ‘we need a thin theory to tell us what goods should be at stake in a theory of justice, what liberties and rights are going to be called for.’ Zoals ik zal betogen is cultuur echter ook binnen een ‘dunne’ visie op rechtvaardigheid een van de goederen die meegenomen dienen te worden in een theorie van rechtvaardigheid, en moet er binnen het liberalisme ook ruimte voor deze visie zijn.

 

Echter, door de grote variëteit aan culturen is het onmogelijk een sluitende definitie te geven van de vorm van cultuur die ik op het oog heb, en de randen van deze definitie zijn dan ook noodzakelijk rafelig. Van toepassing is voor mij, in de woorden van Kymlicka, een ‘societal culture’, een cultuur die haar leden voorziet van betekenisvolle levenswijzen op alle gebieden van de menselijke activiteiten. Bij het liberalisme hoort hierbij een positieve plicht om burgers van informatie te voorzien over de verschillende visies op het goede leven, vanwege het belang dat dit heeft voor de keuzevrijheid van het individu. Net omdat ook de cultuur waarin iemand leeft van belang is voor diens individuele vrijheid, rust er op het liberalisme een zekere plicht op het in stand houden van cultuur.

 

Omdat neutraliteit gezien wordt als een van de belangrijkste deugden binnen het liberalisme, zou betoogd kunnen worden dat het verlenen van burger- en politieke rechten aan alle burgers voldoende is, ongeacht hun culturele achtergrond. Dit getuigt echter van onderschatting van het feit dat dit neutrale karakter in feite neerkomt op een systeem dat ten gunste is van de meerderheid, en wat de cultuur van minderheden onder druk zet. Deze neutraliteit leidt paradoxaal genoeg tot de uitholling van de cultuur van minderheden, of in de woorden van Yael Tamir ‘the attempt to relate to all members equally culminates in an ideal discriminating against anyone outside the consensus.’ Culturele minderheden hebben, zelfs wanneer ze daarvoor rechten toegekend krijgen, bijzonder veel moeite om zich in stand te houden als onderscheiden culturen. Enkel gelijke behandeling van culturele minderheden en de toekenning van burger- en politieke rechten is dan ook niet voldoende om de erkenning van minderheden te garanderen.

 

Doordat het liberalisme met haar dunne conceptie van het goede zorgt voor een uitholling van culturen, zou te verwachten zijn dat mensen minder belang hechten aan het voortbestaan van hun eigen cultuur. Hoewel ik zowel de kennis als de ruimte mis om uitgebreid op deze tegenwerping in te gaan, ben ik van mening dat de situatie in Franstalig Canada, Catalonië of Vlaanderen laat zien dat samenlevingen liberaal kunnen zijn, maar desondanks kunnen wensen te blijven voortbestaan als onderscheiden culturen.

 

Wanneer we aannemen dat het liberalisme zich met name bezig houdt met de verwezenlijking van individuele vrijheid, dient aangetoond te worden dat cultuur van belang is voor deze individuele vrijheid. Verschillende auteurs hebben betoogd dat er een diepe band is tussen vrijheid en de toegang tot een cultuur. Zo vormt cultuur een voorwaarde voor individuele vrijheid. Daarmee is het één van de goederen die in een liberale theorie van rechtvaardigheid meegenomen dient te worden. Een startpunt hiervan ligt bij John Rawls. Deze geeft in zijn werk aan dat primaire goederen ‘are things which it is supposed a rational man wants, whatever else he wants’. Een van deze goederen is ‘a sense of one’s own worth’. 17 Will Kymlicka heeft dit in zijn werk als uitgangspositie genomen om te komen tot een liberale theorie waarin het recht op cultuur een belangrijke plaats inneemt. 18 Een gevoel van eigenwaarde vormt namelijk een voorwaarde voor individuele vrijheid. Wanneer de doelen die we nastreven niet gezien worden als waardevol, beperkt dit ons in onze vrijheid. Culturen bieden een betekenisvol patroon van waarden, die keuzemogelijkheden betekenisvol maakt. Voor de handelingen die we verrichten en het levensproject dat we volgen, is het belangrijk dat onze handelingen ook waarde hebben. Cultuur ‘provides the spectacles through which we identify experiences as valuable’ 19, in de woorden van Ronald Dworkin. Of en hoe belangrijk we aspecten uit het leven waarderen, hangt af van de culturele traditie waarin we zijn opgegroeid. De vrijheid die we hebben komt voort uit de betekenis die door onze cultuur aan keuzeopties wordt toegedicht. Zoals Charles Taylor overtuigend heeft betoogd, is een puur negatief concept van vrijheid, waarbij geen ruimte is voor differentiatie tussen handelingen die we als waardevol beschouwen, en handelingen die meer arbitrair zijn, niet voldoende. 20 Binnen een liberale theorie dient dan ook ruimte te zijn voor de waarden die vanuit de cultuur worden toegekend aan onze keuzemogelijkheden.

 

Zoals ik aangaf bestaat er een verschil in het toekennen van groepsrechten met een interne werking en groepsrechten met een externe werking. De fundering van de visie op groepsrechten zoals ik die hier heb ontwikkeld ligt bij het individu en diens vrijheid. Bovendien verdient het betoog dat culturele zelfbeschikking met name een externe werking heeft. Ook is het argument dat ik gegeven heb niet gericht op culturele integriteit of authenticiteit. Echter, de mogelijkheid bestaat dat het groepsrecht in botsing komt met de vrijheid van het individu. Dit komt met name omdat, vanuit het raamwerk van Raz dat ik gebruik, er sprake is van een cumulatief recht, waarbij de groep rechten toebedeeld krijgt die het individu overstijgen. De spanning die hierbij ontstaat, komt met name naar voren bij kwetsbare groepen in een cultuur, zoals vrouwen, die fungeren als ‘mediators between nature and culture’, en voor wie de scheiding tussen de publieke en private sfeer minder aanwezig is dan bij mannen het geval is.

 

Dit is een moeilijke situatie, omdat het behoren tot een cultuur, waarvan ik eerst heb betoogd dat het een voorwaarde vormt voor vrijheid, nu deze vrijheid bedreigt. Enerzijds kan betoogd worden dat culturen die de vrijheid van het individu inperken, geen recht op zelfbeschikking toekomt. Dit is echter een te eenvoudige oplossing. Culturen zijn immers nooit als geheel in strijd is met de vrijheid van het individu. Bovendien leidt het ontkennen van het recht tot zelfbeschikking tot de disintegratie van een cultuur, wat eveneens tot gevolg heeft dat de leden van de betreffende cultuur minder vrijheid hebben. Anderzijds is het maken van een afweging tussen individuele vrijheid en het recht op cultuur eveneens problematisch. Immers, ‘to balance the fundamental rights of individuals is to compromise them’.

 

Cultuur verdient in hun visie bescherming, zelfs wanneer dit ten koste gaat van de rechten van het individu. Het enige onvervreemdbare recht dat een individu toekomt is een recht om de groep te verlaten. Wanneer een individu dit niet doet, kan er van uit worden gegaan dat deze instemt met de waarden van de cultuur. Hoewel het recht om de groep te verlaten gezien kan worden als een absolute ondergrens en als zodanig onomstreden is, denk ik niet dat dit recht voldoende bescherming biedt tegen bedreiging van de individuele vrijheid door de cultuur. De beslissing om niet uit te treden kan dan ook niet gezien worden als instemming met de waarden binnen de cultuur. Het verlaten van de groep vormt een zeer moeizame stap, juist voor de groepen (zoals vrouwen en kinderen) die het meest gebaat zijn bij het recht, en zoals Jacob Levy schrijft, vormt ‘everything about a culture an exit barrier.’ Ayelet Shachar geeft dan ook aan dat ‘the right of exit rationale forces an insider into a cruel choice of penalties: either accept all group practices or (somehow) leave.’  Ik denk dat de keuze tussen enerzijds uittreden (niet vaccineren) en anderzijds instemmen met de waarden binnen een cultuur een vals dilemma vormt. Omdat culturen geen onveranderlijke essentie hebben maar aan verandering onderhevig zijn, is de keuze om de cultuur in zijn geheel te accepteren geen noodzakelijke. Een cultuur vormt immers geen gegeven, en culturele identiteit is, binnen bepaalde grenzen, het gevolg van de interpretatie van de leden van een cultuur. Hierdoor is diversiteit binnen een cultuur mogelijk. De erkenning van de mogelijkheid van verandering binnen culturen biedt de verandering van binnenuit.

 

Problemen dienen zich aan, wanneer slechts één groep binnen de gemeenschap bepaalt waaruit de waarden van de culturele identiteit moeten bestaan. Zo schrijft Peter Jones: ‘we must discover whose voice we should treat as the authentic or authoritative voice of the group.’ De stem van de groep dient, binnen mijn liberale benadering van groepsrechten, niet van een culturele elite te zijn, maar van de gehele groep: ‘it should grow out of a vigorous democratic debate so that it represents the widest possible range of views, articulates the deepest aspirations of its citizens.’ Hiervoor is het noodzakelijk dat alle leden deze stem toekomt in het debat, niet alleen de ‘orthodoxe’ leden van de groep. Sommige critici van het recht op cultuur, zoals Susanne Okin, geven dat dit niet mogelijk is ‘without a cultural context that allows one to develop a sound sense of self’, om vervolgens te beargumenteren dat bepaalde culturen het individu dermate onderdrukken dat hier geen sprake van is. Zoals ik echter al aangaf komt vrijheid in gradaties. Wanneer Okin gelijk zou hebben, zou één van de belangrijkste uitgangspunten van het liberalisme, namelijk dat het zelf voorafgaat aan haar omgeving, tenietgedaan worden. Door bepaalde culturen te omschrijven als dermate onderdrukkend dat er in het geheel geen sprake meer kan zijn van autonomie vervalt deze kritiek daarnaast in een vorm van cultuuressentialisme waarbij ze culturen ziet als ‘seamless wholes that speak with one narrative voice’. Culturen zijn nu eenmaal niet geheel liberaal, of geheel onderdrukkend. In wezen vervallen we daarmee in dezelfde fout als Jones, omdat aan één groep binnen de cultuur de overheersende stem wordt toebedeeld. Zoals blijkt uit het besprokene denk ik dat Okin geen gelijk heeft in haar betoog. De voorbeelden van de botsingen binnen en tussen culturen laten zien dat mensen in staat zijn over hun eigen cultuur heen te kijken.

 

In zijn boek ‘Spheres of Justice’ vergelijkt Michael Walzer de politieke filosofie met Plato’s allegorie van de grot, waarin het de filosoof (of strategisch politiek denker) tot taak wordt gesteld om de schaduwen van de grot te ontstijgen en de tijdloze ideeën te aanschouwen. Volgens Walzer heeft de zoektocht naar een ‘ideal theory’ echter grote tekortkomingen, en dient de filosoof juist in de grot te blijven, om daar op zoek te gaan naar een meer substantiële, lokale theorie van het goede. In mijn introductie heb ik een verdediging gegeven van een lokale theorie van het goede vanuit liberale principes. Ik ben als mens voortdurend op zoek naar een tussenweg tussen kosmopolitische idealen en de waardenclaims van elites op culturen. Ik heb hiervoor een belangrijk argument voor culturele zelfbeschikking voor ogen. De particuliere waarden die voortkomen uit de cultuur waarin mensen geplaatst zijn, vormen de voorwaarde voor hun vrijheid. 

 

Zoals ik heb betoogd biedt het liberalisme als politieke filosofie hierdoor voldoende ruimte voor het denken over de culturele context waarbinnen vrijheid gestalte krijgt. Omdat toegang tot een cultuur, en meer specifiek de eigen cultuur, een belangrijke voorwaarde vormt voor de vrijheid van mensen, is een recht op toegang tot cultuur belangrijk voor de verwezenlijking van deze vrijheid. Hieruit volgt het recht op zelfbeschikking van naties. Vanwege de spanning die bestaat tussen cultuur en individuele vrijheid, zijn velen sceptisch over het bestaan van een recht op cultuur, en tot op zekere hoogte is dit terecht. Ik ben er echter van overtuigd dat, wanneer aan iedereen binnen een cultuur een stem toekomt een gedeelte van deze spanning weggenomen kan worden. Culturen zijn aan veranderingen onderhevig, en kunnen geliberaliseerd worden. Echter, een gedeelte van de spanning blijft bestaan, omdat we niet om onze geworteldheid, noch om onze idealen heen kunnen.

 

In 1976 sprak het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich uit over het controversiële boekje ‘The Little Red Schoolbook’. Dit boek, voorlichtingsmateriaal voor kinderen, werd vanwege de als obsceen beschouwde inhoud door de Engelse politie in beslag genomen. Het Europees Hof ontwikkelde in haar uitspraak over de rechtmatigheid van dit beslag de ‘margin of appreciation’. In deze doctrine legde het Europees Hof vast dat ‘the machinery of protection established by the Convention is subsidiary to the national systems. The Convention leaves to each Contracting State, in the first place, the task of securing the rights and liberties it enshrines.’ Omdat de Britse rechter beter weet had van de nationale waarden die in Engeland golden liet het Europees Hof de ruimte hier aan de nationale rechter. In de loop van de tijd is de ‘margin of appreciation’-doctrine verder ontwikkeld en vaak toegepast in zaken waarin controversiële morele kwesties worden behandeld, waarover geen consensus bestaat in de lidstaten van de Raad van Europa. Dit oordeel vormt een goed voorbeeld van de spanning die er bestaat tussen enerzijds universele normen, hier belichaamd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, en anderzijds de particuliere waarden die voortkomen uit een politieke en culturele gemeenschap. 

 

Geen andere partij dan de partij Vrijheid heeft ooit meer potentieel gehad om burgers tools te faciliteren om culturele, sociale, economische en existentiële spanningsvelden te ontmijnen. In het leven mogen met andere burgers samenwerken voor een gelukkige, gezonde en vrije(re) toekomst voor ALLE burgers. Bestaat er, met uitzondering van golfen, iets mooier? Ik denk alvast van niet.